Paus Benedictus XVI heeft de priesters gevraagd om hun gezicht meer op internet te laten zien. Modern? Ligt eraan hoe je het ziet. Pastoors lopen rond door hun dorp of wijk en iedereen kan hen aanspreken. Ze schrijven iedere maand wel een of meer stukjes in de hard-copies van hun parochieblad. Internet is toch een virtuele wereld waar je dus ook priesters tegen kunt komen.

Wat ik denk, vind en doe (soms) deel ik bij deze graag met je. Heb je vragen of reacties, dan kun je reageren.

zaterdag 4 februari 2012

Toegewijd leven

Donderdag mocht ik getuige zijn van de eeuwige professie van Jaider en Jason, twee Columbiaanse priesterstudenten op de Tiltenberg. Ze behoren tot een congregatie gevestigd in Columbia en mede gesticht om missionarissen te leveren voor hun buitenland. Het bijzondere van deze congregatie is dat de missionarissen zich verplichten om hun leven lang in hun 'missieland' te blijven. 

Twee jonge mannen, ik schat ze rond de 25, komen blootsvoets de waardige kapel binnen en leggen hun handen in die van hun stichter om zich voor een leven lang te binden aan het charisma van deze jonge congregatie, om zonder persoonlijk bezit een blijvende familie te vinden in deze "Missionarissen van Christus Koning," zoals de congregatie in het Nederlands heet. Het raakte me diep. Dit is echt en ik vond het een feest voor mijn eigen geloofsleven om erbij te mogen zijn. 

De feestdag van de opdracht van de Heer in de Tempel (populair Maria Lichtmis) is door paus Johannes Paulus II uitgeroepen als dag om God te danken voor en te bidden om roepingen tot het religieuze leven. Kern van het religieuze leven is om te treden in het mysterie van de gehoorzaamheid die Christus betrachtte aan zijn Vader: mijn zending is het om de wil te doen van Hem die mij gezonden heeft. Iedere gedoopte staat in dit mysterie. Het wordt verdiept en tot een teken gemaakt in het midden van de Kerk en voor de wereld door de professie: de belofte om te leven volgens de evangelische raden van ongehuwd zijn omwille van het evangelie, zonder persoonlijk bezit te blijven en zich toe te vertrouwen aan de leiding van de overste, kortom zuiverheid, armoede en gehoorzaamheid. St. Franciscus is voor mij de belichaming van dit charisma in de Kerk bij uitstek.


Het religieuze leven binnen de Kerk is een uitdrukking van haar profetische en charismatische dimensie. Religieuzen kunnen luizen in de pels zijn van iedere gevestigde orde omdat ze door hun beloften een zekere afstand tot die orde nemen. Ze zijn er niet om een instituut te dienen en maken geen carrière. Religieuzen zijn de heilige vrouwen en mannen die niet door hun formele positie maar hun persoonlijke toewijding en overgave indruk maken en aan het denken zetten. Er zijn in de Kerk duizenden en misschien wel tienduizenden congregaties (en van oudere datum orden). Ieder belichaamt het charisma van een stichter of stichtster die in een gegeven situatie en tijd de tekens van die tijd las en daarop antwoordde. Sommige ordes en congregaties zijn honderden jaren oud, andere zijn nog maar pas gesticht.  Ze weten dikwijls grote werken te verrichten en bouwen in de loop van de tijd indrukwekkende instituten op: scholen, abdijen, ziekenhuizen, universiteiten en God weet wat nog meer. In die vruchtbaarheid ligt ook het gevaar: het religieuze leven kan zich verinstitutionaliseren. De individuele broeder of zuster is arm en leeft sober, maar de werken van de congregatie of de orde zijn indrukwekkend en representeren maatschappelijke macht. De geschiedenis van de Kerk laat zien dat er een moeilijk evenwicht is tussen instituten opbouwen die nuttig en nodig zijn voor het bijzondere werk waar een congregatie zich aan wil geven en het bewaren van de eigenheid van het religieuze leven. 

Ik zou er een warm pleidooi voor willen houden om de evangelische vrijheid nooit op te geven en bereid te zijn om gegroeide instituten weer over te doen aan anderen. Zo kan de evangelische vrijheid en het getuigenis dat daarvan uitgaat behouden blijven. De religieus leeft tenslotte van het woord van de Heer die zegt: weet, ik heb geen steen om mijn hoofd op te leggen. Gewone priesters zoals ik en gelovigen en niet gelovigen hebben behoefte aan 'luizen in de pels,' aan mannen en vrouwen die door hun zichtbare toewijding en zelfgave appelleren aan onze edelmoedigheid en ons ongemakkelijk maken als we vallen voor de verleiding om in de dingen van deze wereld ons geluk en comfort te zoeken.