Paus Benedictus XVI heeft de priesters gevraagd om hun gezicht meer op internet te laten zien. Modern? Ligt eraan hoe je het ziet. Pastoors lopen rond door hun dorp of wijk en iedereen kan hen aanspreken. Ze schrijven iedere maand wel een of meer stukjes in de hard-copies van hun parochieblad. Internet is toch een virtuele wereld waar je dus ook priesters tegen kunt komen.

Wat ik denk, vind en doe (soms) deel ik bij deze graag met je. Heb je vragen of reacties, dan kun je reageren.

zaterdag 17 september 2011

Waar doen we het voor?

In de psychologie wordt veel aandacht besteed aan de functie van beloning: je doet iets omdat je verwacht er beter van te worden. Niet moeilijk denk ik om te snappen en voorbeelden bij te bedenken. Ik heb heel wat keer aan tafel gezeten bij een gezin met een kleine kinderen: "als je je groenten opeet krijg je je toetje, anders niet," of varianten daarop. Voor wat hoort wat. Je kunt het ook de andere kant op denken: iemand doet iets verkeerd, en hoort daarvoor gestraft te worden. Als de kans klein is dat je gestraft wordt, waarom zou je je dan inhouden? Beloning en straf zijn onmisbare instrumenten voor opvoeding, discipline en sociale ordening.

In een indrukwekkende parabel stelt Jezus zijn toehoorders en ons op de proef door dit systeem van beloning en straf om te draaien. De landarbeiders die 's morgens het geluk hebben om voor een dagloon aan de slag te kunnen krijgen 's avonds niet meer dan de arbeiders die het ongeluk hadden om pas het laatste uur gehuurd te worden. De een werk een hele dag, de ander een uur en beiden krijgen hetzelfde. Dat is niet eerlijk! Het antwoord van de baas in het verhaal van Jezus? Vriend, ik doe je toch geen kwaad? Je bent toch met mij overeengekomen voor één denarie? Neem wat je toekomt en ga heen. Ik wil aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan jou. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies, of ben je kwaad omdat ik goed ben?

Er zijn verschillende manieren om dit verhaal in perspectief te zetten. Zo is er het perspectief van Jezus die met zondaars omgaat alsof ze rechtvaardigen zijn. Dat valt op en het steekt. Jezus roept tegen de bezwaren dat de wet zijn gerechtigheid eist Gods goedheid in. De werkgever die afspraken maakt over prestatie en beloning is ook de patroon, degene die kan besluiten om zijn werknemers te behandelen als zijn eigen familie en dus laten delen in alles wat hij heeft. De gerechte God is ook de barmhartige God. Wat telt is het antwoord op zijn uitnodiging, hoe laat die in het leven ook mag komen. We kennen andere vergelijkingen die Jezus gebruikt zoals de goede herder op zoek naar het verdwaalde schaap of de vreugde van de weduwe die haar ene verloren geldstuk terugvindt. Het is zo on-menselijk om blijer te zijn met de bekering van een zondaar dan het voorbeeldig gedrag van negenennegentig anderen. Om het nog te kunnen volgen wat Jezus bedoelt moet er wel iets aan de hand zijn met de aard van de beloning. Die is blijkbaar zo fundamenteel, zo overweldigend, zo vervullend dat het niet meer past om te denken in meer of minder.

Een ander perspectief is deze parabel lezen in de ervaring van de jonge Kerk. De joden zijn de dragers van de beloften maar gaan niet mee in de erkenning van Jezus als de Messias. De christenen zien dat hun gemeenschap maar zeer ten dele uit joden bestaat en haar groei en dynamiek vind in de niet-joden. De eersten die door de God van Abraham, Isaak en Jacob aangesproken zijn en aan wie Hij zijn naam bekend maakte 'ik die er ben' (wat heel dicht licht bij de ervaring die Jesaia onder woorden brengt in de eerste lezing: Hij is nabij) komen als laatste tot het inzicht dat God zich al Redder heeft laten kennen in Jezus. De beloning van het eeuwig leven, het leven in Christus dat leven is in God de heilige Geest en in God de Vader, komt de niet-joodse heidenen als eersten toe. Zij staan aan het einde van de lange geschiedenis die God met zijn Volk heeft van Abraham over Mozes en de profeten tot Johannes de Doper en Jezus toe.

Nog een ander perspectief is het lezen van deze parabel als een dieper inzicht in de betekenis van het apostelschap. Hier komt de apostel Paulus ons vergezellen. In gevangenschap schrijft hij brieven aan onder meer de christenen in Philippi. Die brieven zijn samengebracht in één geschrift dat in de kerken gelezen kon worden. Paulus diepste overtuiging is dat 'leven Christus is.' Daarmee verwoordt hij niet allereerst een mystieke verbondenheid, het leven in de gemeenschap met de Drie-ene God. Hij verwoordt vooral de inspanning en beproeving die het 'in Christus zijn' brengt en dat voor hem gelijkstaat met apostel-zijn: in de gevangenis zitten, niet zeker zijn of hij eruit zal komen of ter dood veroordeeld wordt, bespotting en afwijzing, geslagen en gestenigd worden, nergens blijvend thuis zijn. Als je de parabel leest als onderdeel van het evangelie van Mattheus lijkt hij dit perspectief op te willen roepen. Wij spannen ons in voor het Evangelie, we geven alles op en we zijn zeker van een onuitspreekbare beloning, maar dat betekent niet dat wij die als eersten zullen ontvangen. Ons apostel-zijn is delen in Christus, zijn lijden en verrijzen.

Deze drie perspectieven zijn evenzovele vragen aan onszelf: Waar doen we het voor? Zijn we goed omdat we niet gestraft willen worden en het fijn vinden om geprezen te worden omdat we zo netjes, zo keurig, zo goed zijn? Zien we ons christen-zijn als een zekerheid dat wij gered zijn, dat wij tenminste bij God thuis zullen komen en anderen niet? Zijn we werkers in Gods kerk, bisschop, priester, diaken, pastoraal werker, catechist, vrijwilliger en verwachten we in dit leven al beloond te worden met respect, een uitverkoren bestaan?

En denarie (Romeins geldstuk) had de waarde van een dagloon: je kon er een dag van leven. Leven! Daar gaat het om. God biedt je leven aan. Meer kan Hij je niet bieden en jij kunt Hem niets meer geven dan jouw leven, jouw inspanning. "Mijn genade is jou genoeg!" Dat genoeg is zo groots, inderdaad, zo overweldigend, dat straf en beloning hun betekenis verliezen. Want die genade, die beloning, die 'denarie' is niets meer of minder dan God zelf.

We doen het niet voor iets. Wie doen het voor Iemand, "omdat Ik goed ben."