Wat een spektakel gister dat debat over Mauro. Heel Nederland mocht het parlement zien discussiëren over de vraag of een jongen van 18 jaar die zijn hele opvoeding en menselijke vorming in Nederland ontvangen heeft al of niet teruggestuurd moet worden. Ja, zegt de minister die erover gaat. Nee zegt het hart van menig parlementariër en een flinke meerderheid van ondervraagde Nederlanders. De beelden van de mensen die als supporters rond Mauro het debat volgden leek me een representatieve doorsnee van de PVV aanhang, met een oververtegenwoordiging van Henks en Ingrids. Allemaal voor een hard asielbeleid maar niet als het gaat om een jongen die ze kennen.
Als ik het mocht zeggen had ik het als CDA-er zo gedaan: eerst had ik Mauro eens aangekeken en gezegd: Mauro dit debat gaat niet over jou. De Tweede Kamer kan helemaal niet spreken en nog minder oordelen over de vraag of de wetten van dit land juist zijn toegepast in een individueel geval. Daarvoor hebben we rechters en het is (of was?) een peiler onder het Nederlands staatsbestel dat rechters onafhankelijk werken. Waar gaat het debat dan wel over? Of de minister adequaat met de wetgeving is omgegaan.

Daarna zou ik de minister hebben aangekeken. Ik zou hem vragen hebben gesteld. Vragen over in deze trant: is de minister op de hoogte van het feit dat er onredelijke wachttijden zijn op reactie van de overheid inzake vragen, verzoeken en bezwaren? Kan de minister ervoor instaan dat er in het beoordelingstraject geen interpretatiebeslissingen zijn genomen inzake vragen omtrent veiligheid en redelijkheid. Zulke beslissingen kunnen namelijk nooit door ambtenaren genomen worden, die behoren alleen de minister toe. Met een beetje onderzoek zouden er uit de duizenden dossiers vast nog veel redenen aan te voeren zijn waarom dit relevante vragen zijn: als de overheid haar werk niet goed doet heeft dat verschrikkelijke consequenties voor recht zoekers.
De belangrijkste vraag echter is die naar de discretionaire bevoegdheid. De wetgever is zich ervan bewust dat wetten generaliserende regels geven die in individuele gevallen onrechtvaardig kunnen uitwerken of effecten hebben die niet zijn beoogd. Het is ook mogelijk dat er na afloop van alle procedures relevante nieuwe informatie ter beschikking komt. Die discretionaire bevoegdheid is alleen aan de minister. De kamer gaat daar niet over en de minister mag en kan zich daar niet over verantwoorden. Hij kan zich niet verschuilen achter 'de regels staan het niet toe' en evenmin achter uitspraken als 'er zijn schrijnender gevallen, dit geval is niet schrijnend genoeg.' De wet maakt geen onderscheid tussen schrijnend, schrijnender en allerschrijnendst. Ze spreekt van schrijnende gevallen. De minister geeft zelf invulling en moet dus zeggen: ik vind Mauro geen schrijnend geval en er is geen reden om van de regels af te wijken. Er wordt geen onrecht gedaan en dit effect is beoogd door de wetgever. De vraag aan de minister is of hij zich in de uitoefening van deze bevoegdheid zonder last en ruggespraak weet en niet door coalitiepartijen of anderen direct of indirect in de uitoefening van zijn vrijheid beperkt of beïnvloed wordt. Als dat wel zo is, is er geen sprake meer van een discretionaire bevoegdheid en is de bedoeling van de wetgever om een persoonlijk toetsingsmoment in te brengen teniet gedaan.
Vervolgens zou ik de discussie met de minister zijn aangegaan over zijn oordeel dat het niet schrijnend is om als volbloed Nederlander gedwongen te worden je heil te zoeken in een land dat je niet kent, dat een taal spreekt die je niet hebt geleerd en leeft met gewoonten en gebruiken die je vreemd zijn. Angola is geen gemakkelijk land, je moet er als minvermogenden kunnen leven en overleven. Er is een belangrijke reden om wetten te stellen over de illegale immigratie van kinderen. Mensenhandelaars zouden erniet voor terugschrikken om minderjarige kinderen te gebruiken als die een legale status zouden kunnen krijgen alleen omdat ze minderjarig zijn. Ze worden dan de ankers voor de rest van de familie. De staat heeft ook een verantwoordelijkheid. Als ze minderjarige kinderen niet heel snel kan terugsturen neemt zij in feite het voogdijschap van de kinderen over. Iemand terugsturen die jezelf hebt opgevoed en opgeleid en die relatief een groot deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond is per se schrijnend, het is een afschuwelijk lot dat tot grote persoonlijke schade kan leiden; nog los van alle persoonsschade die opgedaan is door het eindeloos afwachten van niet efficiënte en soms nalatig traag uitgevoerde procedures. Nee, minister, een jongen van 18 wegzenden die zijn halve leven Nederlander is geweest is een casus op zich die zich prima leent voor de discretionaire bevoegdheid. Het gaat om gelimiteerde aantallen en de situatie is een niet beoogd effect van de wet (de lange procedures en de inefficiëntie van de overheid om terug te zenden).

Tenslotte zou ik de minister als CDA-er aanspreken. Wat je ook van de C van CDA mag vinden, de evangelische inspiratie betekent tenminste dat een CDA-er het tot zijn kernmissie rekent om consequent het menselijk gezicht te zoeken in het kille landschap van regels en algemeenheden. Een CDA-er staat voor een terugbrengen van de mens. Hij kijkt mensen aan en gaat daarna pas de regels lezen. Als katholiek weet minister Leers dat er zoiets bestaat als vox populi, vox dei: het volk heeft een prima aanvoelingsvermogen. Dat volk zegt duidelijk: dit past niet. Een CDA-er verschuilt zich nooit achter regel of wet. Hij is een man/vrouw van overtuiging, van moraal en wijsheid. Hij weet zich geïnspireerd door een levensovertuiging die hem innerlijk heeft bevrijd van wet en regel en zoekt naar de waarheid en waarachtigheid in iedere situatie, wijsheid dus. Dat is een kostbare bijdrage in verregeld en opportunistisch politiek Den Haag. Hij is geen sentimentalist, wel een man die humaniteit peilt en verdedigt.

0 reacties:
Een reactie plaatsen